Klik hier voor programmaboekje

 Dat Groot-Brittannië een succesvolle zeevarende natie was,
 blijkt wel uit de matrozenliederen van Ralph Vaughan Williams
 (1872-1958) en Gustav Holst (1874-1934). 
 De typische  matrozenliefde verloopt schematisch: 
 matroos gaat de zee op, weg van zijn geliefde, zij wacht op hem
 met weinig hoop op zijn  behouden terugkomst, ze vinden elkaar
 en leven nog lang en gelukkig. Holst kiest naast matrozenliederen
 ook nog andere volksliederen om voor koor te arrangeren,
 onder andere een avondgebed en een lied over een twijgje
 aan een tak - aan een boom - in een bos - in een vallei. 

De opening van het concert, Edward Elgars Speak, music, is een ode aan de muziek: Strings, play for me, all that the poet, the priest cannot say for me!. ‘Snaren, laat alles horen wat de dichter en de priester mij niet kunnen vertellen!‘.
Wij doen het zingend, met enkel onze stembanden. Echte natuurbeleving is de specialiteit van Edward Elgar (1857-1934). Je hoort in The Shower de regen uit een wolk zacht op de aarde spetteren. Je hoort in The Fountain de zon stralen en 
de fontein zacht murmelen.

Van Holst zingen we naast volksliederen vier canons voor vrouwenstemmen. De canons van Holst zijn minder opgewekt
dan zijn volksliederen. Ze gaan over het verlangen, de onbeantwoorde liefde en de dood. Dat is ook in de muziek te 
horen. Bij Holst geen gewone canon waarbij de verschillende stemmen na elkaar dezelfde melodie zingen. Hij laat iedere
stem de melodie op een andere toonhoogte en vooral in een andere toonsoort zingen. Het heeft een vervreemdend effect.

Henk Badings (1907-1987) doet een paar decennia later, in 1946, in de beide Hosanna’s in zijn Missa Brevis iets vergelijkbaars. De verschillende stemmen zingen dezelfde melodie in canon steeds een toon hoger, maar wel in dezelfde toonsoort. Knap maar minder spannend om te horen dan Holst. De rest van de Missa brevis van Badings heeft niets wat
op een canon lijkt. Daar is het vooral de opeenvolging van de akkoorden die de spanning geeft. De ritimisch volmaakte tekstplaating in het Gloria en het Credo is opvallend. 

De Amerikaan William Albright (1944-1998) schrijft nog weer een paar decennia na Badings in 1973 een Alleluia Super-Round. Ook een soort canon maar van een bijzondere soort. Vierentwintig korte melodische fragmenten zijn er te zingen. De volgorde ligt vast. Het tempo al iets minder. Het aantal keren dat een fragment wordt gezongen helemaal niet. Ieder koorlid mag dat zelf kiezen. En zo zingt iedere zanger zijn eigen lied, als vogels in een bos. Ook een vorm van natuurbeleving. Het kan nog anders:

De Noor Knut Nystedt (1915-2014) kiest weer een andere variant op de canon in Immortal Bach
Om zijn bewondering voor Bach uit te drukken neemt hij een fragment van diens lied Komm süsser Tod en maakt er een vierstemmig koraal van zoals Bach het geschreven had kunnen hebben. Vervolgens laat hij het koor dat koraal in verschillend tempi zingen. Iedere zin begint tegelijk, loopt gecontroleerd uit elkaar en eindigt weer gelijk. Bach is in de prachtige klankvelden nog maar nauwelijks te herkennen.