De seizoenen van het Noorden
01 Lundvik - Nocturnes
02 Tormis - Sügimaastrikud (Autumn landscapes)
03 Merikanto - Talviset tilhet (Winterpestvogels) solo
04 Nystedt - Soldag i fjellet (Zonnige dag in de bergen) solo
05 Kuula - Syystunnelma (Autumn mood) solo
06 Sibelius - Rakastava
07 Rautavaara - In my lovers garden solo
08 Stenhammer - 3 koorstukken
09 Pärt - Solfeggio
10 Rautavaara - Viatonten valssi (Waltz of the innocents) solo
11 Järnefeldt - The Face of the Fatherland solo
12 Kreek - Taaveti Laulud
13 Grieg - Fire salmer

Voor het eerst zingt het Alexander Kamerkoor werk uit het hoge noorden. De rondgang leidt ons door Noorwegen, Zweden, Finland en Estland, door de bijbehorende talen en het Deens en door de laatste eeuw muziekgeschiedenis. De oudste werken dateren uit het laatste decennium van de 19e eeuw, de nieuwste werken uit de jaren 60 van de 20e eeuw.

Overeenkomst tussen alle stukken is de nadruk op klankschoonheid als expressie- middel, meer dan op strenge vorm of contrapunt. De wereldlijke werken van Lundvik, Tormis, Sibelius en Stenhammar worden door het conceptuele werk van Pärt gescheiden van de religieuze stukken van Kreek en Grieg.

De jonge bariton Andreas Goetze neemt de baritonsoli in Rakastava van Sibelius en de Fire Salmer van Grieg voor zijn rekening. Daarnaast zingt hij, begeleid door Maarten Hillenius, liederen van Merikanto, Nystedt, Kuula, Rautavaara en Järnefeldt.

Hildor Lundvik (1885-1951) vond onder andere in een gedicht van Verlaine inspiratie voor zijn 3 Nocturnes, geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Met eenvoudige technische middelen (veel parallelbewegingen in de vrouwen­stemmen, ondersteund door stabiele akkoorden in de mannenstemmen) en veel ruimte om de tekst de voortgang van de muziek te laten bepalen heeft hij een effectief drieluik geschreven. De teksten vormen de ideale verbinding met Tormis en Sibelius. Ze verwijzen alle drie expliciet naar de lente en de late winter en contras­teren daarmee met de hierna te zingen Herfstlandschappen van Tormis. Het eerste lied, De bloeiende amandelboom, is een brug en tegelijk een contract met Sibelius. De dichter vergelijkt de bloeiende boom met zijn geliefde. Hij wacht onder de bloemen op haar, hopend dat ze zal komen. Bij Sibelius is geen hoop meer maar afscheid.

De Est Veljo Tormis (1930) boetseert in 1964 met klank verschillende herfstland­schappen (Sügismaastikud). Hij laat de overdadig vruchtbare nazomer klinken, laat wolken langs de hemel jagen, de kleuren van de dag vaal worden en het rood van gevallen bladeren vol en pijnlijk oplichten om te eindigen met de koude herfstnachten, in kale schurende kwinten en kwarten. Zijn doorzichtige textuur doet denken aan de werken van bijvoorbeeld Escher en zijn tekstexpressie aan de – eerder in de muziekgeschiedenis – volledig ontwikkelde madrigaalkunst. Het meest extreem voert hij dit door in het vierde deel waarin in een luttele 20 maten nog geen 50 noten worden gezongen door steeds één of maximaal twee stemmen. De vergeefse verlatenheid van de herfst tot klinken gebracht.

Jean Sibelius (1865-1957) schreef in 1893-4 Rakastava, zijn opus 14. Het is in de koorversie een tamelijk groot stuk. Sibelius schreef het voor een compositiewedstrijd en moet er, ondanks dat hij de wedstrijd niet won, tevreden over zijn geweest. Hij schreef het oorspronkelijk voor mannen­koor met strijkorkest, herschreef het in 1898 voor gemengd koor en tenslotte in 1911 nog eens voor strijkorkest met pauken en triangel. De vier secties waarin het stuk in de koorversie is onder te verdelen beschrijven verschillende gemoeds­toestanden van de geliefde, allereerst de zoektocht (waar is mijn geliefde?), in het tweede gedeelte de herkenning (mijn geliefde is hier geweest!), in het derde de ontmoeting (goede avond, dans nu!) en in het laatste gedeelte het afscheid (omhels me, vaarwel).

Ook Wilhelm Stenhammar (1871-1927) verbindt Tormis met Lundvik en Sibelius in zijn zeer geslaagde Tre Körvisör. Het eerste stuk beschrijft een bedauwde september­nacht. Het tweede bezingt de tuin van een harem, met bloeiende rozen en leliën. Het derde is een grappig en flitsend liefdeslied in de beste volkse traditie: o had ik maar een kleinkind, dan had ik een dochter en een man… Geen verlangen naar een echte geliefde, geen afscheid maar een dagdroom met een glimlach.

Arvo Pärt (1935), ook een Est, schreef met Solfeggio in 1964 (herzien in 1996) een stuk dat bijna conceptueel te noemen is – en religieus noch wereldlijk is. Hij heeft eenvoudigweg de toonladder van C-groot gesolmiseerd en noot voor noot verdeeld over de stemmen. Op regel­matige afstanden (twee zeer langzame kwarten) na elkaar klinken do, re, mi, fa, so, la, si, do. En doordat steeds meerdere tonen elkaar overlappen klinken ze ook door elkaar, als een cluster. Vooral de keuze van de stemgroep die een toon zingt en de ligging waarin de tonen worden gezongen bepalen het muzikale effect.

De psalmen van Cyrillus Kreek (1889-1962), de derde Est op het programma, kennen een wonderlijke mix van devote religiositeit en aardse menselijkheid. Hoor de eenvoudige maar weelderige melodie in psalm 104, steunend op het stevige en serieuze fundament van liggende akkoorden in de mannenstemmen. Hoor het Halleluuja in de psalm Õnnis on inimene (Gezegend is hij) waarin het gregoriaans hoorbaar is, maar ook wereldlijke uitbundigheid.

Voor de vier psalmen die de Noorse componist Edvard Grieg (1843-1907) in zijn laatste levensjaar schreef deed hij inspiratie op uit de volksmuziek. In de psalm Jesus Kristus er opfaren bijvoorbeeld herinnert de combinatie van volksmelodie en afwisseling tussen baritonsolist en koor aan de wereldlijke afwisseling van voorzanger en koor, maar ook aan de kerkelijke praktijk. Ook in de andere psalmen weet Grieg een sfeer te realiseren waarin het wereldlijke in de muziek door de religieuze tekst heen dringt, bijvoor­beeld door de gekozen liedvorm. Met het kleurrijke gebruik van dissonanten is hij er in geslaagd de stukken te kruiden. Hij was er zelf erg tevreden over.