Hollandse Meesters 

Het Alexander Kamerkoor brengt op zondagmiddag 9 juni 2013 een programma met alleen Nederlandse componisten. Daarbij wordt de grote groep Zuid-Nederlandse componisten bewust vermeden. Geen Dufay, geen Obrecht, geen Ockeghem.
Wel een handvol stukken uit het in 1572 in Leuven en Antwerpen uitgegeven
Een Duytsch Musyck Boeck, waarin juweeltjes van Servaes van der Muelen, Joh. Episcopius en Clemens non Papa. Allemaal in de Nederlandse taal (‘Duytsch’) en allemaal van hoog niveau. Deze stukken verdienen meer aandacht in het repertoire van de Nederlandse koren.

Van twee Nederlanders zingen we Franstalige werken;
Hubert Waelrant: 'Musiciens qui chantez', uitgegeven in 1589 en het grote vierdelige madrigaal 'Rozette' van Jan Pieterszoon Sweelinck, in Leiden uitgegeven in 1612. Als laatste werk van lang geleden zingen we van Cornelis Padbrué 'Dat ick betovert ben', uitgegeven in 1631 in de bundel Kusjes.

Van de nieuwste stukken uit het programma is de inkt bij wijze van spreken nog maar net droog. Daan Manneke schreef in 2009 zes kleine koorliederen op tekst van Paul van Ostaijen, Nederlandstalig taalvirtuoos bij uitstek, onder de titel 'Nu is van Kalifornies goud de tijd'.
In 1985 gebruikte Herman Strategier een tekst van Van Eeden om 'De Waterlelie' te schrijven.

Uit de laatromantiek zingen we van Alphons Diepenbrock de bekende sfeervolle maar veeleisende 'Chanson d’automne' en 'Wandrers Nachtlied' en het luchtige en geestige 'De groote hond en de kleine kat'. We zingen de oorspronkelijke versies, uit de handschriften van Diepenbrock, uit respectievelijk 1897, 1916 en 1903. Van Hendrik Andriessen staat het 'Sonnet' uit 1917 op het programma.

Het thema van de muziek staat niet alleen centraal in Waelrants 'Musiciens qui chantez', maar ook in 'The birth of music' (1975) van Ton de Leeuw, met Louis Andriessen misschien wel Nederlands grootste componist van de tweede helft van de 20e eeuw. Het is een voorbeeld van muziek die een grote vrijheid geeft aan de uitvoerenden. Veel toonhoogten en intervallen zijn niet voorgeschreven. Eenstemmigheid binnen één stemgroep wil hij expliciet voorkomen: ‘each singer chooses his own pitch, without attempting to sing in unison.’ Vanwege de bijzonderheid van deze muziek – muziek met zoveel vrijheid voor de uitvoerenden wordt tegenwoordig niet veel meer uitgevoerd – en vanwege de bijzondere thematiek – de geboorte van de muziek – zingen we dit stuk bij de opening en aan het einde van het concert.

De verbinding tussen de muziek uit onze tijden en de muziek van rond 1600 leggen we door van Henk Badings 'Een oudt liedeken' te zingen, op oude tekst en grotendeels in oude stijl maar hier en daar met Sprechgesang, en door van Jetse Bremer diens zetting van 'Merck toch hoe sterk' op het programma te nemen, het overwinningslied dat Valerius schreef over het ontzet van Bergen op Zoom tijdens de tachtigjarige oorlog. Dat ontzet vond plaats in 1622, vijftig jaar na publicatie van Een Duyts Musyck Boeck, en het lied zou later in Valerius’ Nederlandtsche gedenck-clank' opgenomen worden.

Ter afwisseling van de koorstukken zullen de Nederlandstalige teksten en bijpassende Nederlandstalige poëzie uit de afgelopen eeuwen worden voorgedragen.